Everything you always wanted to know about Het Pedagogisch Beleidsplan and were afraid to ask

“De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. …” [WKo 1.50 lid 1]

Om aan deze bepaling in de Wet Kinderopvang uitvoering te geven, dient iedere opvanglocatie in Nederland een Pedagogisch Beleidsplan op te stellen, actueel te houden en uitvoering aan dit plan te geven. Gastouders zijn hier een uitzondering op, ik kom hier later in dit artikel op terug.

Bij de inspectie voor toelating, maar ook tijdens de reguliere jaarlijkse inspecties zal de GGD hier dan ook aandacht aan besteden.

 

Wat hoort er in een pedagogisch beleidsplan te staan?

Dit is geregeld in de nadere uitwerking van de wet. Dit noemen wij of regelingen of ministeriële besluiten. Er gaat hier dan ook een onderscheid ontstaan tussen gastouderbureaus en kinderdagverblijven.

 

Het pedagogisch beleidsplan van een kinderdagverblijf…

…bevat ten minste een concrete omschrijving van:

  1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde dagopvang, dus hoe:
    1. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;
    2. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
    3. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden, en
    4. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
  2. de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en de buitenschoolse opvang wordt gestreefd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de wijze waarop:
    1. met toestemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs en aan de buitenschoolse opvang bij de overgang van het kind naar de buitenschoolse opvang, en
    2. bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning;
  3. de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind;
  4. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen, en
  5. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen.

En indien van toepassing een concrete beschrijving van:

  1. de drie-uurs regeling;
  2. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep of de stamgroepruimte kunnen verlaten;
  3. het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van dagopvang gedurende extra dagdelen, en
  4. de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de dagopvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.

Deze invulling van het pedagogisch beleidsplan komt voort uit de Wet IKK. Hierdoor zijn de algemeen bekende definities van mevr. Riksen Walraven opgenomen in de wet, en is er een einde gemaakt aan het verschil tussen dagopvang, peuterspeelzaalwerk en buitenschoolse opvang. Doordat de invulling van de vier pijlers in het plan concreet gemaakt dient te worden, wordt een onderscheid gemaakt in de invulling van uw ‘doelgroep’.

Invulling geven aan de vier pijlers vereist bij een babygroep geheel andere vaardigheden dan bij een buitenschoolse opvanggroep. Dit maakt dat uw pedagogisch beleidsplan maatwerk wordt.

 

Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau…

… bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:

  1. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen om persoonlijke en sociale competenties te ontwikkelen en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
  2. het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen en de leeftijden van die kinderen, met dien verstande, dat een gastouder ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar en minimaal conform de eisen die bij of krachtens artikel 14 van het besluit gesteld worden aan de groepsgrootte;
  3. de eisen die aan de voorzieningen voor gastouderopvang worden gesteld.

Ook hier begint de wetgever naar een verwijzing naar de vier basispijlers van Riksen Walraven. Deze dienen duidelijk geformuleerd en observeerbaar te zijn, dat wil zeggen, niet als standaard opmerking opgenomen. Het gastouderbureau dient binnen het dictaat van de basispijlers haar kenmerkende visie in het plan op te nemen.

Verder dient een gastouderbureau de uitwerking van het aantal kinderen dat bij een gastouder mag worden opgevangen weer te geven. Deze uitwerking vindt u in artikel 13 van de Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.

In deze regeling, maar ook in het besluit kwaliteit [..] vindt u vervolgens ook alle andere eisen die aan een gastouder en een gastoudervoorziening worden gesteld. 

Deze blog wordt bijzonder lang als ik deze hier ga uitschrijven. Specifieke vragen die u hierover heeft, beantwoord ik graag in een reactie op deze blog of via onze social media kanalen.

Concreet en observeerbaar

De wetgever heeft ten behoeve van de controleerbaarheid bewust de termen concreet en observeerbaar opgenomen. Dit maakt de beoordeling door de handhaver mogelijk. Het is dus van belang om in een pedagogisch beleidsplan weg te blijven van vage, zweverige teksten, maar zo duidelijk mogelijk te verwoorden hoe u het pedagogisch beleid vorm geeft. U kunt hierbij gebruik maken van voorbeelden, maar maak deze vooral niet onwaarschijnlijk of ingewikkeld. Blijf bij de kern.

 

Artikel 13. Aantal op te vangen kinderen

  1. Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen in de leeftijd tot 13 jaar gelijktijdig opgevangen. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
  2. In de groep, bedoeld in het eerste lid, worden maximaal vijf kinderen tot 4 jaar gelijktijdig opgevangen.
  3. In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden maximaal 4 kinderen tot 2 jaar gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal 2 kinderen tot 1 jaar.
Door de overheid worden rapportsjablonen gepubliceerd die door de GGD worden gebruikt bij de inspectie. Hieronder publiceer ik de inspectie-items die betrekking hebben op het pedagogisch beleidsplan per opvangvoorziening.
 

Het pedagogisch beleidsplan en de gastouder

Als gastouder doet u zaken met één of meer gastouderbureaus. Uit recente publicaties van GGD GHOR Nederland valt af te leiden dat de GGD dit als een mogelijk kwaliteitsobstakel ziet.

In het kader van het pedagogisch beleidsplan valt dit ook wel te verklaren. Artikel 16 van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang stelt: “De gastouder handelt overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan dat door het gastouderbureau is opgesteld en ter beschikking gesteld […]”

Het zaken doen met meerdere gastouderbureaus, helemaal als hier tegenstrijdig pedagogisch beleid wordt gepropageerd, kan dus een conflicterende situatie tot gevolg hebben. Het is niet voor te stellen dat u als gastouder per kind een andere handelswijze volgt, afhankelijk van het bemiddelende bureau.

Zowel de gastouder als het -bureau hebben hier een verantwoordelijkheid. In een inspectie bij de gastouder kan dit leiden tot een handhavingsadvies voor zowel gastouder als -bureau(s).

Verder dient u als gastouderbureau rekening te houden met de eisen aan de gastouder zoals u die formuleert. U kunt hier heel uitgebreid en specifiek in zijn, ver uitstijgend boven de wettelijk neergelegde norm. Houdt er dan wel rekening mee dat u hiermee de gastouder, maar ook uzelf in een lastig parket kunt brengen. Immers, het niet handelen volgens uw beleidsplan bij één van uw gastouders betekent dat u geen invulling geeft aan de wet, waardoor u hierop aangesproken kunt worden.

Voor een gastouder is het van belang om te beoordelen of de gastouderbureau(s) waar u zaken mee doet, een visie en beleid hebben die stroken met uw eigen visie. Feitelijk zou daar geen licht tussen moeten bestaan. Uw uitwerking van pedagogisch beleid, dat u bijvoorbeeld vastlegt in een pedagogisch werkplan, dient aan te sluiten bij de gastouderbureau(s) waar u zaken mee doet.

 

Hoe stelt u uw pedagogisch beleidsplan op?

Het is erg verleidelijk om bij het opstellen van een pedagogisch beleidsplan te rade te gaan bij een collega/concurrent. Dit levert echter wel een risico op. Het blindelings kopiëren van pedagogisch beleidsplannen en andere vereiste documentatie bij het openen van uw kinderopvangonderneming betekent dat u visie, beleid maar ook eventuele fouten van de auteur meeneemt. Daarbij komt dat deze documenten maatwerk zijn, nooit volledig van toepassing zijnde op uw onderneming. De GGD prikt er vaak ook snel doorheen.

Natuurlijk is research goed. Hoe is de opbouw van een plan? Wat heb ik nodig? Verdiep u in de basis (de wet, besluiten en regelingen) en doe goed onderzoek. Maar schrijf uw eigen plan, werk uw visie uit. Het hoort bij de kennis van een kinderopvangondernemer om de eigen visie en het beleid over het voetlicht te kunnen brengen.

Dit jaar hebben wij KiK Pedagogiek opgezet, met als doel kinderopvangondernemers te helpen de vertaling van de wet naar de pedagogische uitwerking te kunnen maken. Wij zijn blij dat wij inmiddels al redelijk wat ondernemers hebben kunnen helpen met het maken van aanpassingen in hun beleidstukken, bijvoorbeeld door de aanpassingen in het licht van de IKK. Ook startende ondernemers hebben wij verder kunnen helpen met het realiseren van een aan de wet voldoend pedagogisch beleidsplan.

Bent u op zoek naar een sjabloon om uw eigen beleidsstukken te schrijven, of wilt u pedagogisch technische ondersteuning hierbij? Aarzel niet en neem contact met ons op.

Heb ik iets gemist, of ben ik onduidelijk geweest in mijn verhandeling hierboven? Aarzel niet en stel aanvullende vragen. Ik beantwoord ze graag.

PS: Bij ons speelt het idee om een opleiding tot houder van een kinderdagverblijf, bso of gastouderbureau te ontwikkelen. Dit naar aanleiding van een aantal vragen uit de markt. Wij zijn nieuwsgierig of hier een bredere behoefte toe bestaat. De opleiding zou naast de pedagogische componenten ook breder ingaan op wet- en regelgeving en economische en bedrijfskundige aspecten. Is hier behoefte aan? Laat het ons weten.

Inspectie-items

 

Dagopvang

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat in de dagopvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan aspecten van verantwoorde dagopvang, bedoeld in artikel 2 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en de buitenschoolse opvang wordt gestreefd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de wijze waarop:

– met toestemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs en aan de buitenschoolse opvang bij de overgang van het kind naar de buitenschoolse opvang;
– bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de tijden waarop er minder beroepskrachten worden ingezet dan vereist is op basis van het aantal aanwezige kinderen, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De afwijkende inzet van het minimum aantal beroepskrachten dat op grond van de beroepskracht-kindratio vereist is, kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep of de stamgroepruimte kunnen verlaten.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van dagopvang gedurende extra dagdelen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de dagopvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Pedagogische praktijk

In het kader van het bieden van verantwoorde dagopvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;

b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;

d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

Voorschoolse educatie

De houder beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze: a. de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten,
b. de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,

c. de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd,
d. de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen,

e. het inrichten van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en het beschikbaar stellen van passend materiaal voor voorschoolse educatie, en
f. de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de aanvullende onderwerpen voor voorschoolse educatie betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten gericht op het stimuleren van de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 2 en 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 1 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden draagt er zorg voor dat de beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van:
Een getuigschrift van met gunstig gevolg afgelegd examen van een voor de werkzaamheden passende opleiding die voor beroepskrachten voorschoolse educatie worden genoemd in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening.

OF

Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU- beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. (art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 1 en 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; art 10c Regeling Wet kinderopvang)

 

[Tot 1-8-2018] Onderdeel van de beroepsopleiding waarvoor het getuigschrift is behaald, vormt ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie.
[Vanaf 1-8-2018] Onderdeel van een beroepsopleiding vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot:

a. het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie,
b. het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,
c. het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie,
d. het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en
e. het vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.
In afwijking hiervan is het keuzedeel niet vereist indien de genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 2 en 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
OF
De bezitter van een getuigschrift of erkenning die niet een keuzedeel voorschoolse educatie in de beroepsopleiding omvat, overlegt een bewijsstuk dat met gunstig gevolg scholing is afgerond die specifiek is gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie. Deze scholing heeft in elk geval betrekking op de kennis en vaardigheden genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en omvat ten minste 12 dagdelen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F, op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen.
Deze eis geldt van augustus 2017 tot 1 augustus 2019 uitsluitend voor voorzieningen in gemeenten die behoren tot de G37 en G86, overeenkomstig het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2011-2017.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden (Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie vanaf 1 augustus 2018, artikel 4 lid 2 onder a tot en met e) van de beroepskracht voorschoolse educatie worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 4 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

 

 

BSO

 

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2, 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 11 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de tijden waarop er minder beroepskrachten worden ingezet dan vereist is op basis van het aantal aanwezige kinderen, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De afwijkende inzet van het minimum aantal beroepskrachten op grond van de beroepskracht-kindratio kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de basisgroep kunnen verlaten.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van buitenschoolse opvang gedurende extra dagdelen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de buitenschoolse opvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop meertalige buitenschoolse opvang in het kindercentrum wordt vormgegeven.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder f Besluit kwaliteit kinderopvang)

Pedagogische praktijk

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;

b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;

d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Gastouderbureau

 

Pedagogisch beleid

Pedagogisch beleidsplan

De houder stelt een pedagogisch beleidsplan vast waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
(art 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 1 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen om persoonlijke en sociale competenties te ontwikkelen en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen

voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder a Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van het aantal kinderen dat door de gastouder wordt opgevangen en de leeftijden van die kinderen.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder b Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van de eisen die aan de voorzieningen voor gastouderopvang worden gesteld.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder c Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Pedagogische praktijk

De houder draagt er zorg voor dat alle bij zijn gastouderbureau aangesloten gastouders het pedagogisch beleid uitvoeren.
(art 1.56 lid 1 en 1.56b lid 1 Wet kinderopvang)

 

 

De Oudercommissie

Inleiding

De Wet Kinderopvang verplicht u als houder van een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of gastouderbureau om op iedere locatie een oudercommissie te hebben.

Voor kleinere organisaties (max. 50 kinderen of 50 gastouders) kan alternatieve ouderraadpleging worden toegepast indien het niet lukt om een oudercommissie samen te stellen. Hiertoe heeft u echter wel een blijvende inspanningsverplichting!

De werkwijze van de oudercommissie ligt vast in een oudercommissie reglement. Het aantal leden van de commissie, de wijze van kiezen, hun zittingsduur staan hierin vermeld. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze en werkplan. U kunt een voorbeeld van een oudercommissie reglement vinden op de website van BOinK (www.boink.info)

De oudercommissie is de vertegenwoordiger van alle ouders.

Het werven van Oudercommissie leden

Dit is voor veel organisaties een moeilijk punt. Het blijkt soms lastig om ouders dermate te betrekken dat zij actief willen worden. Als kinderopvangorganisatie is het dan ook zaak om de informatie over de oudercommissie duidelijk zichtbaar op de locatie te hangen, maar ook te verstrekken aan nieuwe ouders, te bespreken bij de intake, oudergesprekken en informatieavonden.  

Alternatieve Ouderraadpleging

Als het u niet lukt om een oudercommissie samen te stellen, dan kan er, mits voldaan wordt aan de in de inleiding genoemde criteria, gekozen worden voor Alternatieve Ouderraadpleging. Let wel, het ontslaat u niet van de inspanningsverplichting om een oudercommissie samen te stellen.

Indien u gebruik maakt van deze mogelijkheid, dient u te weten hoe uw ouders betrokken willen zijn, en hoe zij benaderd wensen te worden. Het simpelweg sturen van een e-mail of elektronische enquête is hier niet voldoende. U dient, zeker bij onvoldoende response, meerdere manieren van benaderen te kiezen. Om bij een inspectie te kunnen aantonen dat u uw best heeft gedaan de ouders te raadplegen is het zeer sterk aan te bevelen om al uw acties te administreren en inzichtelijk te kunnen maken.

Omgaan met uw oudercommissie

De oudercommissie heeft het recht om gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen. Hier dient u dus gelegenheid voor te bieden.

In het licht van de IKK zijn er (ingrijpende) wijzigingen die worden doorgevoerd in uw organisatie. Hierover dient u de oudercommissie te informeren en om advies te vragen. Dit dient tijdig te gebeuren, omdat er een reële termijn voor het geven van advies dient te worden gegeven.

Het verloop van de procedure kunt u als volgt organiseren:

  1. Het voorgenomen besluit wordt voorgelegd aan de oudercommissie;
  2. Zij krijgen tijdig alle benodigde informatie. Aanvullende informatie waarom verzocht wordt aangeleverd;
  3. Er wordt een heldere termijn voor het geven van advies. Een termijn van 4 weken is hierbij reëel.
  4. U ontvangt binnen de gestelde termijn een advies van de oudercommissie;
  5. U geeft hierop een reactie richting de oudercommissie;
  6. De ouders worden geïnformeerd over het besluit.

Let erop dat ook voor wettelijke maatregelen een advies van de oudercommissie verplicht is.

U kunt op drie manieren reageren op het advies:

  1. U neemt het advies over;
  2. U wijkt af van het advies. Dit kan alleen als u schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de
        kinderopvang zich tegen het advies verzet;
  3. U wijkt af zonder motivatie (dit is wettelijk niet toegestaan!)

Het verdient de voorkeur om de adviesvragen en termijnen van de oudercommissie in uw interne planning en processen te integreren. Op deze wijze worden zij niet vergeten en kunt u aantonen het ouderrecht hoog in het vaandel te hebben staan.

Meer weten of vragen? Aarzel niet om contact met ons op te nemen.

GOB: Mag een gob een boeteclausule hanteren?

In de algemene voorwaarden van een GOB staat dat ouders niet met dezelfde gastouder mogen overstappen naar een ander bureau. Doen ze dit wel krijgen ze een boete.

Mag dit?

 

Ja, dit mag.
Indien een ouder dit tekent zal deze zich hier aan moeten houden.

Het gaat hier om een relatiebeding, niet om een concurrentiebeding.
Een dergelijk beding is toegestaan.
Het kent hierdoor geen geografische beperking en houdt om meerdere redenen veel vaker stand dan een concurrentiebeding.
Een relatiebeding is niet wettelijk geregeld.

 

Een ondernemer kan zich zelf echter wel afvragen waarom hij/zij dit in de algemene voorwaarden wil opnemen.
Deze boeteclausule wekt de schijn van angst voor concurrenten. Want als beste bureau van Nederland zou deze boeteclausule theoretisch niet nodig moeten zijn.
Daarnaast kan het bureau zich afvragen of het de werkrelatie met de gastouder zelf, die mogelijk met één en niet alle gezinnen overstapt, in gevaar brengt.

Echter, er kunnen toch redenen zijn om wel te pleiten voor deze clausule in de voorwaarden.
Een voorbeeld hiervan is het tegengaan van (gast) ouders die ‘bureau-hoppen’ voor de cadeautjes, commissies en/of aanbiedingen van gratis cursusaanbod.

 

Er zijn een aantal uitzonderingen waardoor ouders zich niet aan de boeteclausule hoeven te houden:


Uitzondering 1: De consument is niet op de hoogte van de algemene voorwaarden.

 

De consument (ouders) dienen een redelijke mogelijkheid te krijgen om de kennis van de algemene voorwaarde tot zich te nemen. Anders zijn de algemene voorwaarden, op grond van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek, vernietigbaar.
In artikel 6:234 Burgerlijk Wetboek, eerste lid staat dat die mogelijkheid is geboden als de algemene voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand zijn gesteld of op verzoek onverwijld worden toegezonden.

 

Tip:


Mail de algemene voorwaarden (en contract) ruim voor de contractafspraak naar de ouders zodat zij voldoende tijd hebben om deze te kunnen doornemen. Laat tijdens de contractafspraak de algemene voorwaarden tekenen óf maak een duidelijke verwijzing in het contract en laat alle pagina’s van de algemene voorwaarden paraferen.
Bewaar zowel het getekende contract of getekende/ geparafeerde algemene voorwaarden in het klantdossier. Dit zodat het altijd opvraagbaar is.

 

Uitzondering 2: De consument zegt het contract op door een situatie die aan de ondernemer zelf is te wijten.

 

De boete houdt geen stand als de opzegging het gevolg is van een aan de ondernemer zelf te wijten omstandigheid.

 

Voorbeeld:
De klachtencommissie oordeelde dat een klagende ouder niet aan deze boete hoefde te voldoen omdat zij had opgezegd naar aanleiding van een door de houder verzonden brief waarin zij stelde dat dat zij een spiritueel hoogtepunt had bereikt. Zij liet weten dat zij onder meer kanker binnen enkele seconden kon genezen.
De klachtcommissie stelde dat er in deze brief bijzondere en uitzonderlijke persoonlijke informatie was opgenomen, waarbij bovendien ongefundeerde medische stellingen werden ingenomen.
Daarmee is door ondernemer bewust het risico genomen, dat ouders die hun kinderen onder regie van de ondernemer aan derden toevertrouwen, ernstig hun vertrouwen zouden gaan verliezen in de dienstverlening.
Op basis van de inhoud van de brief achtte de commissie derhalve enig beroep op de desbetreffende bepaling onaanvaardbaar en aldus geheel in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

 

Uitzondering 3: De boete dient redelijk te zijn (in verhouding dus)

 

De wet gaat er vanuit dat een boeteclausule bij een overstap gerechtvaardigd is als een gastouderbureau heeft geïnvesteerd in de gastouder.
Bijvoorbeeld wanneer de opleiding voor de gastouders is betaald.
Ook wanneer er tijd en moeite is gestoken in het koppelen van de gastouder aan vraaggezinnen.
De boeteclausule dient echter wel in verhouding te staan tot de prestatie die het gastouderbureau heeft geleverd.
Over de specificatie van de de redelijkheid geeft de wet (nog) weinig inzicht.
Dit zal bij een conflict getoetst worden door de klachtencommissie.

 

Boeteclausules die inhouden dat het de gastouder onmogelijk wordt gemaakt over te stappen zijn onwenselijk. Er zijn ons boeteclausules bekend die inhouden dat de gastouder niet met haar gastkinderen mag overstappen gedurende een jaar na opzegging bij haar huidige bureau. Op deze manier gastouders aan het gastouderbureau binden is niet zo chique.
Onze verwachting is dat door toenemende transparantie in de markt de bureaus die boeteclausules hanteren die buitenproportioneel zijn, uit de markt worden geconcurreerd.

 

Uitzondering 4: De opvang is nog niet van start gegaan

 

Er kan wettelijk gezien geen boete worden opgelegd voor het stopzetten van een dienst die nog niet is afgenomen.
Er kan wel een boete worden gehanteerd voor bijvoorbeeld de onkosten die het bureau heeft gemaakt voor de inschrijving bij de gemeente.
Deze kosten zullen wel met bewijs onderbouwd moeten kunnen worden.

Daarnaast zal de ouder het contract waarin deze boete staat moeten hebben ondertekend.

 

Uitzondering 5: De oudercommissie dient akkoord te zijn met de boeteclausule

 

Ouders hebben inspraak in de beslissingen die worden genomen omtrent de de bedrijfsvoering van het gastouderbureau.
Om het praktisch te houden dient ieder gastouderbureau hiervoor een oudercommissie te hebben.
De ouders hierin brengen (vaak bindend) advies uit over onder andere tarieven en dus ook over de boeteclausule.
Bij invoering van een boeteclausule zal de oudercommissie hier advies over uitbrengen. Indien deze boeteclausule al langere tijd gehanteerd en de oudercommissie deze liever verwijderd ziet kan zij hier ongevraagd advies over geven.
Dit advies is echter niet bindend.

Het bureau zal het adviesrecht wel op juiste wijze moeten doorlopen!
Het is zeer raadzaam om als bureau naar ouders te luisteren en het advies zeer serieus te nemen. Zij hebben veel invloed op de toestroom van nieuwe consumenten.

 

Uitzondering 6: De boeteclausule mag niet zonder toestemming van de ouder op een later tijdstip te zijn toegevoegd door het gastouderbureau.

 

Wijzigingen in het contract mag het gastouderbureau onder bepaalde voorwaarden zonder de toestemming van de ouders doorvoeren. Het toevoegen van een boeteclausule valt hier niet onder omdat altijd passen binnen het contract.

 

Als een gastouderbureau besluit alle bestaande contracten te wijzigen zodat de boeteclausule hierin kan worden opgenomen, zullen alle oude contracten moeten worden beëindigd en de nieuwe contracten moeten worden getekend.

(Tenzij er uitdrukkelijk in het huidige contract staat dat deze wijziging in de toekomst plaats kan vinden en redelijk en billijk is).
Hierbij dient het gastouderbureau rekening te houden met de opzegtermijn voor de oude contracten voor de nieuwe contracten in kunnen gaan.
Dit is niet alleen tijd- en geldrovend omdat ieder contract op de opvanglocatie getekend dient te worden maar de vraag is ook of ouders een nieuw contract tekenen als zij lezen dat er een boeteclausule in is verschenen.
De ouders zijn niet verplicht om het nieuwe contract te tekenen waardoor zij de vrijheid hebben de relatie met het bureau te beëindigen (en bijvoorbeeld naar een ander bureau over te stappen).

Indien het bureau besluit de algemene voorwaarden te wijzigen waar het contract naar verwijst dient zij hier rekening mee te houden.

Helaas weten wij dat het soms gebeurt dat gastouderbureaus de boeteclausule toevoegen op het moment dat een ouder op een later tijdstip het contract of de algemene voorwaarden opvraagt. Bijvoorbeeld als de ouder het contract of de algemene voorwaarden kwijt is.
Het later – zonder dat de ouder hier van op de hoogte is en zonder toestemming- toevoegen van een boeteclausule aan een getekend contract is valsheid in geschrifte en strafbaar.

 

Soms gebeurt het ook dat een gastouderbureau de boeteclausule toevoegt aan een addendum. Een addendum is een stuk extra contract wat bijvoorbeeld wordt gebruikt voor het toevoegen van een extra kind of gewijzigde afspraken.
Omdat de ouders enkel gericht zijn op de gewijzigde afspraak én al een tijd gebruik maken van de diensten van het bureau lezen zij vaak dit addendum niet goed door waardoor zij de toegevoegde boeteclausule over het hoofd zien en zonder dat zij het door hebben tekenen voor de boeteclausule.
Indien de ouders dit tekenen is de boeteclausule van toepassing.

Echter, chique is het zeker niet.
De vraag is of dit de naam van een bureau op de markt verbetert.
Op korte termijn kan het dus iets opleveren, op lange termijn is het sterk de vraag.