Everything you always wanted to know about Het Pedagogisch Beleidsplan and were afraid to ask

“De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang op zodanige wijze, voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief, als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander redelijkerwijs leidt tot verantwoorde kinderopvang. …” [WKo 1.50 lid 1]

Om aan deze bepaling in de Wet Kinderopvang uitvoering te geven, dient iedere opvanglocatie in Nederland een Pedagogisch Beleidsplan op te stellen, actueel te houden en uitvoering aan dit plan te geven. Gastouders zijn hier een uitzondering op, ik kom hier later in dit artikel op terug.

Bij de inspectie voor toelating, maar ook tijdens de reguliere jaarlijkse inspecties zal de GGD hier dan ook aandacht aan besteden.

 

Wat hoort er in een pedagogisch beleidsplan te staan?

Dit is geregeld in de nadere uitwerking van de wet. Dit noemen wij of regelingen of ministeriële besluiten. Er gaat hier dan ook een onderscheid ontstaan tussen gastouderbureaus en kinderdagverblijven.

 

Het pedagogisch beleidsplan van een kinderdagverblijf…

…bevat ten minste een concrete omschrijving van:

  1. de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde dagopvang, dus hoe:
    1. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;
    2. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
    3. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden, en
    4. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
  2. de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en de buitenschoolse opvang wordt gestreefd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de wijze waarop:
    1. met toestemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs en aan de buitenschoolse opvang bij de overgang van het kind naar de buitenschoolse opvang, en
    2. bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning;
  3. de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind;
  4. de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen, en
  5. de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen.

En indien van toepassing een concrete beschrijving van:

  1. de drie-uurs regeling;
  2. de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep of de stamgroepruimte kunnen verlaten;
  3. het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van dagopvang gedurende extra dagdelen, en
  4. de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de dagopvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.

Deze invulling van het pedagogisch beleidsplan komt voort uit de Wet IKK. Hierdoor zijn de algemeen bekende definities van mevr. Riksen Walraven opgenomen in de wet, en is er een einde gemaakt aan het verschil tussen dagopvang, peuterspeelzaalwerk en buitenschoolse opvang. Doordat de invulling van de vier pijlers in het plan concreet gemaakt dient te worden, wordt een onderscheid gemaakt in de invulling van uw ‘doelgroep’.

Invulling geven aan de vier pijlers vereist bij een babygroep geheel andere vaardigheden dan bij een buitenschoolse opvanggroep. Dit maakt dat uw pedagogisch beleidsplan maatwerk wordt.

 

Het pedagogisch beleidsplan van een gastouderbureau…

… bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van:

  1. de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen om persoonlijke en sociale competenties te ontwikkelen en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt;
  2. het aantal kinderen dat door een gastouder wordt opgevangen en de leeftijden van die kinderen, met dien verstande, dat een gastouder ten hoogste zes kinderen opvangt, waaronder begrepen de eigen kinderen tot de leeftijd van 10 jaar en minimaal conform de eisen die bij of krachtens artikel 14 van het besluit gesteld worden aan de groepsgrootte;
  3. de eisen die aan de voorzieningen voor gastouderopvang worden gesteld.

Ook hier begint de wetgever naar een verwijzing naar de vier basispijlers van Riksen Walraven. Deze dienen duidelijk geformuleerd en observeerbaar te zijn, dat wil zeggen, niet als standaard opmerking opgenomen. Het gastouderbureau dient binnen het dictaat van de basispijlers haar kenmerkende visie in het plan op te nemen.

Verder dient een gastouderbureau de uitwerking van het aantal kinderen dat bij een gastouder mag worden opgevangen weer te geven. Deze uitwerking vindt u in artikel 13 van de Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang.

In deze regeling, maar ook in het besluit kwaliteit [..] vindt u vervolgens ook alle andere eisen die aan een gastouder en een gastoudervoorziening worden gesteld. 

Deze blog wordt bijzonder lang als ik deze hier ga uitschrijven. Specifieke vragen die u hierover heeft, beantwoord ik graag in een reactie op deze blog of via onze social media kanalen.

Concreet en observeerbaar

De wetgever heeft ten behoeve van de controleerbaarheid bewust de termen concreet en observeerbaar opgenomen. Dit maakt de beoordeling door de handhaver mogelijk. Het is dus van belang om in een pedagogisch beleidsplan weg te blijven van vage, zweverige teksten, maar zo duidelijk mogelijk te verwoorden hoe u het pedagogisch beleid vorm geeft. U kunt hierbij gebruik maken van voorbeelden, maar maak deze vooral niet onwaarschijnlijk of ingewikkeld. Blijf bij de kern.

 

Artikel 13. Aantal op te vangen kinderen

  1. Bij een gastouder worden maximaal zes kinderen in de leeftijd tot 13 jaar gelijktijdig opgevangen. Eigen kinderen tot 10 jaar worden meegerekend.
  2. In de groep, bedoeld in het eerste lid, worden maximaal vijf kinderen tot 4 jaar gelijktijdig opgevangen.
  3. In de groep, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden maximaal 4 kinderen tot 2 jaar gelijktijdig opgevangen, waarvan maximaal 2 kinderen tot 1 jaar.
Door de overheid worden rapportsjablonen gepubliceerd die door de GGD worden gebruikt bij de inspectie. Hieronder publiceer ik de inspectie-items die betrekking hebben op het pedagogisch beleidsplan per opvangvoorziening.
 

Het pedagogisch beleidsplan en de gastouder

Als gastouder doet u zaken met één of meer gastouderbureaus. Uit recente publicaties van GGD GHOR Nederland valt af te leiden dat de GGD dit als een mogelijk kwaliteitsobstakel ziet.

In het kader van het pedagogisch beleidsplan valt dit ook wel te verklaren. Artikel 16 van het Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang stelt: “De gastouder handelt overeenkomstig het pedagogisch beleidsplan dat door het gastouderbureau is opgesteld en ter beschikking gesteld […]”

Het zaken doen met meerdere gastouderbureaus, helemaal als hier tegenstrijdig pedagogisch beleid wordt gepropageerd, kan dus een conflicterende situatie tot gevolg hebben. Het is niet voor te stellen dat u als gastouder per kind een andere handelswijze volgt, afhankelijk van het bemiddelende bureau.

Zowel de gastouder als het -bureau hebben hier een verantwoordelijkheid. In een inspectie bij de gastouder kan dit leiden tot een handhavingsadvies voor zowel gastouder als -bureau(s).

Verder dient u als gastouderbureau rekening te houden met de eisen aan de gastouder zoals u die formuleert. U kunt hier heel uitgebreid en specifiek in zijn, ver uitstijgend boven de wettelijk neergelegde norm. Houdt er dan wel rekening mee dat u hiermee de gastouder, maar ook uzelf in een lastig parket kunt brengen. Immers, het niet handelen volgens uw beleidsplan bij één van uw gastouders betekent dat u geen invulling geeft aan de wet, waardoor u hierop aangesproken kunt worden.

Voor een gastouder is het van belang om te beoordelen of de gastouderbureau(s) waar u zaken mee doet, een visie en beleid hebben die stroken met uw eigen visie. Feitelijk zou daar geen licht tussen moeten bestaan. Uw uitwerking van pedagogisch beleid, dat u bijvoorbeeld vastlegt in een pedagogisch werkplan, dient aan te sluiten bij de gastouderbureau(s) waar u zaken mee doet.

 

Hoe stelt u uw pedagogisch beleidsplan op?

Het is erg verleidelijk om bij het opstellen van een pedagogisch beleidsplan te rade te gaan bij een collega/concurrent. Dit levert echter wel een risico op. Het blindelings kopiëren van pedagogisch beleidsplannen en andere vereiste documentatie bij het openen van uw kinderopvangonderneming betekent dat u visie, beleid maar ook eventuele fouten van de auteur meeneemt. Daarbij komt dat deze documenten maatwerk zijn, nooit volledig van toepassing zijnde op uw onderneming. De GGD prikt er vaak ook snel doorheen.

Natuurlijk is research goed. Hoe is de opbouw van een plan? Wat heb ik nodig? Verdiep u in de basis (de wet, besluiten en regelingen) en doe goed onderzoek. Maar schrijf uw eigen plan, werk uw visie uit. Het hoort bij de kennis van een kinderopvangondernemer om de eigen visie en het beleid over het voetlicht te kunnen brengen.

Dit jaar hebben wij KiK Pedagogiek opgezet, met als doel kinderopvangondernemers te helpen de vertaling van de wet naar de pedagogische uitwerking te kunnen maken. Wij zijn blij dat wij inmiddels al redelijk wat ondernemers hebben kunnen helpen met het maken van aanpassingen in hun beleidstukken, bijvoorbeeld door de aanpassingen in het licht van de IKK. Ook startende ondernemers hebben wij verder kunnen helpen met het realiseren van een aan de wet voldoend pedagogisch beleidsplan.

Bent u op zoek naar een sjabloon om uw eigen beleidsstukken te schrijven, of wilt u pedagogisch technische ondersteuning hierbij? Aarzel niet en neem contact met ons op.

Heb ik iets gemist, of ben ik onduidelijk geweest in mijn verhandeling hierboven? Aarzel niet en stel aanvullende vragen. Ik beantwoord ze graag.

PS: Bij ons speelt het idee om een opleiding tot houder van een kinderdagverblijf, bso of gastouderbureau te ontwikkelen. Dit naar aanleiding van een aantal vragen uit de markt. Wij zijn nieuwsgierig of hier een bredere behoefte toe bestaat. De opleiding zou naast de pedagogische componenten ook breder ingaan op wet- en regelgeving en economische en bedrijfskundige aspecten. Is hier behoefte aan? Laat het ons weten.

Inspectie-items

 

Dagopvang

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat in de dagopvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan aspecten van verantwoorde dagopvang, bedoeld in artikel 2 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de ontwikkeling van het kind wordt gevolgd en gestimuleerd en daarbij naar een doorlopende ontwikkellijn met het basisonderwijs en de buitenschoolse opvang wordt gestreefd, waarbij in ieder geval wordt ingegaan op de wijze waarop:

– met toestemming van de ouders kennis over de ontwikkeling van het kind wordt overgedragen aan de school bij de overgang van het kind naar het basisonderwijs en aan de buitenschoolse opvang bij de overgang van het kind naar de buitenschoolse opvang;
– bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind periodiek met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de stamgroepen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe stamgroep waarin zij zullen worden opgevangen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de tijden waarop er minder beroepskrachten worden ingezet dan vereist is op basis van het aantal aanwezige kinderen, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De afwijkende inzet van het minimum aantal beroepskrachten dat op grond van de beroepskracht-kindratio vereist is, kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de stamgroep of de stamgroepruimte kunnen verlaten.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van dagopvang gedurende extra dagdelen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de dagopvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 3 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Pedagogische praktijk

In het kader van het bieden van verantwoorde dagopvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;

b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;

d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 2 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

Voorschoolse educatie

De houder beschrijft in het pedagogisch beleidsplan, op zo concreet en toetsbaar mogelijke wijze: a. de voor het kindercentrum kenmerkende visie op de voorschoolse educatie en de wijze waarop deze visie is te herkennen in het aanbod van activiteiten,
b. de wijze waarop de ontwikkeling van het jonge kind wordt gestimuleerd, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,

c. de wijze waarop de ontwikkeling van peuters wordt gevolgd en de wijze waarop het aanbod van voorschoolse educatie hierop wordt afgestemd,
d. de wijze waarop de ouders worden betrokken bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen,

e. het inrichten van een passende ruimte waarin voorschoolse educatie wordt verzorgd en het beschikbaar stellen van passend materiaal voor voorschoolse educatie, en
f. de wijze waarop wordt vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 1 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder geeft uitvoering aan het pedagogisch beleidsplan wat de aanvullende onderwerpen voor voorschoolse educatie betreft, evalueert de uitvoering jaarlijks, en stelt het plan zo nodig aan de hand hiervan bij.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4a lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De voorschoolse educatie omvat per week ten minste vier dagdelen van ten minste 2,5 uur of per week ten minste 10 uur aan activiteiten gericht op het stimuleren van de ontwikkelingsdomeinen taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 2 en 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De verhouding tussen het aantal beroepskrachten voorschoolse educatie en het feitelijk aantal aanwezige kinderen in de groep bedraagt ten minste één beroepskracht voorschoolse educatie per acht kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 1 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De groep bestaat uit ten hoogste 16 feitelijk aanwezige kinderen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 3 lid 2 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden draagt er zorg voor dat de beroepskrachten voorschoolse educatie in het bezit zijn van:
Een getuigschrift van met gunstig gevolg afgelegd examen van een voor de werkzaamheden passende opleiding die voor beroepskrachten voorschoolse educatie worden genoemd in de meest recent aangevangen cao Kinderopvang en cao Sociaal Werk, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening.

OF

Een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU- beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van de door hen te verrichten beroepswerkzaamheden. (art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 1 en 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; art 10c Regeling Wet kinderopvang)

 

[Tot 1-8-2018] Onderdeel van de beroepsopleiding waarvoor het getuigschrift is behaald, vormt ten minste één module over het verzorgen van voorschoolse educatie.
[Vanaf 1-8-2018] Onderdeel van een beroepsopleiding vormt ten minste een met gunstig gevolg afgesloten keuzedeel dat is gericht op het ontwikkelingsgericht werken in de voorschoolse educatie en dat ten minste kennis en vaardigheden omvat met betrekking tot:

a. het werken met programma’s voor voor- en vroegschoolse educatie,
b. het stimuleren van de ontwikkeling van het jonge kind, in het bijzonder op de gebieden taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling,
c. het volgen van de ontwikkeling van peuters en het hierop afstemmen van het aanbod van voorschoolse educatie,
d. het betrekken van de ouders bij het stimuleren van de ontwikkeling van kinderen, en
e. het vormgegeven aan de inhoudelijke aansluiting tussen voor- en vroegschoolse educatie en aan een zorgvuldige overgang van het kind van voor- naar vroegschoolse educatie.
In afwijking hiervan is het keuzedeel niet vereist indien de genoemde kennis en vaardigheden al onderdeel zijn van de beroepsopleiding waarop de kwalificatie is gericht.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 2 en 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)
OF
De bezitter van een getuigschrift of erkenning die niet een keuzedeel voorschoolse educatie in de beroepsopleiding omvat, overlegt een bewijsstuk dat met gunstig gevolg scholing is afgerond die specifiek is gericht op het verwerven van kennis en vaardigheden met betrekking tot voorschoolse educatie. Deze scholing heeft in elk geval betrekking op de kennis en vaardigheden genoemd in het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie en omvat ten minste 12 dagdelen.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De beroepskracht voorschoolse educatie beheerst aantoonbaar ten minste niveau 3F, op de onderdelen Mondelinge Taalvaardigheid en Lezen.
Deze eis geldt van augustus 2017 tot 1 augustus 2019 uitsluitend voor voorzieningen in gemeenten die behoren tot de G37 en G86, overeenkomstig het Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid 2011-2017.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 3a Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

De houder van een kindercentrum waar voorschoolse educatie wordt aangeboden, stelt jaarlijks voor elke locatie voorschoolse educatie een opleidingsplan vast dat in elk geval tot uitdrukking brengt op welke wijze de kennis en vaardigheden (Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie vanaf 1 augustus 2018, artikel 4 lid 2 onder a tot en met e) van de beroepskracht voorschoolse educatie worden onderhouden. De houder geeft op concrete en toetsbare wijze uitvoering aan het opleidingsplan, evalueert het plan jaarlijks en stelt het plan aan de hand van de evaluatie zo nodig bij.

(art 1.50b Wet kinderopvang; art 4 lid 4 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

Voor de voorschoolse educatie wordt een programma gebruikt waarin op gestructureerde en samenhangende wijze de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en sociaal-emotionele ontwikkeling.
(art 1.50b Wet kinderopvang; art 5 Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie)

 

 

 

BSO

 

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

Het kindercentrum beschikt over een pedagogisch beleidsplan. De houder draagt er zorg voor dat in de buitenschoolse opvang conform het pedagogisch beleidsplan wordt gehandeld.
(art 1.49 lid 1 en 2, 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 1 Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de aspecten van verantwoorde buitenschoolse opvang, bedoeld in artikel 11 van het Besluit kwaliteit kinderopvang.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving de wijze waarop bijzonderheden in de ontwikkeling van het kind of problemen worden gesignaleerd en ouders worden doorverwezen naar passende instanties voor verdere ondersteuning.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop de mentor de verkregen informatie over de ontwikkeling van het kind met de ouders bespreekt en de wijze waarop aan de ouders en het kind bekend wordt gemaakt welke beroepskracht de mentor is van het kind.

 

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de werkwijze, maximale omvang en leeftijdsopbouw van de basisgroepen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat ten minste een concrete beschrijving van de wijze waarop kinderen kunnen wennen aan een nieuwe basisgroep waarin zij zullen worden opgevangen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 2 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de tijden waarop er minder beroepskrachten worden ingezet dan vereist is op basis van het aantal aanwezige kinderen, alsmede de tijden waarop in ieder geval niet daarvan wordt afgeweken en wordt voldaan aan de beroepskracht-kindratio. De afwijkende inzet van het minimum aantal beroepskrachten op grond van de beroepskracht-kindratio kan op de dagen van de week verschillen, zij het dat de afwijkende inzet niet per week verschilt.

(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder a Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de aard en de organisatie van de activiteiten waarbij kinderen de basisgroep kunnen verlaten.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder b Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van het beleid ten aanzien van het gebruik kunnen maken van buitenschoolse opvang gedurende extra dagdelen. (art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder c Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de taken die beroepskrachten in opleiding, stagiairs en vrijwilligers in de buitenschoolse opvang kunnen uitvoeren en de wijze waarop zij hierbij worden begeleid.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder e Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de omgang met de basisgroep bij activiteiten in groepen groter dan dertig kinderen.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder d Besluit kwaliteit kinderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat, indien van toepassing, een concrete beschrijving van de wijze waarop meertalige buitenschoolse opvang in het kindercentrum wordt vormgegeven.
(art 1.50 lid 2 Wet kinderopvang; art 12 lid 3 onder f Besluit kwaliteit kinderopvang)

Pedagogische praktijk

In het kader van het bieden van verantwoorde buitenschoolse opvang, draagt de houder er in ieder geval zorg voor dat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase waarin kinderen zich bevinden:
a. op een sensitieve en responsieve manier met kinderen wordt omgegaan, respect voor de autonomie van kinderen wordt getoond en grenzen worden gesteld aan en structuur wordt geboden voor het gedrag van kinderen, zodat kinderen zich emotioneel veilig en geborgen kunnen voelen;

b. kinderen spelenderwijs worden uitgedaagd in de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden, cognitieve vaardigheden, taalvaardigheden en creatieve vaardigheden, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger te functioneren in een veranderende omgeving;
c. kinderen worden begeleid in hun interacties, waarbij hen spelenderwijs sociale kennis en vaardigheden worden bijgebracht, teneinde kinderen in staat te stellen steeds zelfstandiger relaties met anderen op te bouwen en te onderhouden;

d. kinderen worden gestimuleerd om op een open manier kennis te maken met de algemeen aanvaarde waarden en normen in de samenleving met het oog op een respectvolle omgang met anderen en een actieve participatie in de maatschappij.
(art 1.49 lid 1 en 2 en 1.50 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 Besluit kwaliteit kinderopvang)

 

 

Gastouderbureau

 

Pedagogisch beleid

Pedagogisch beleidsplan

De houder stelt een pedagogisch beleidsplan vast waarin de voor dat gastouderbureau kenmerkende visie op de omgang met kinderen is beschreven.
(art 1.56 lid 1 en 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 1 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen ten minste een beschrijving van: de wijze waarop de emotionele veiligheid van kinderen wordt gewaarborgd, de mogelijkheden voor kinderen om persoonlijke en sociale competenties te ontwikkelen en de wijze waarop de overdracht van normen en waarden aan kinderen plaatsvindt.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen

voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder a Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van het aantal kinderen dat door de gastouder wordt opgevangen en de leeftijden van die kinderen.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder b Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Het pedagogisch beleidsplan bevat in duidelijke en observeerbare termen een beschrijving van de eisen die aan de voorzieningen voor gastouderopvang worden gesteld.
(art 1.56 lid 2 Wet kinderopvang; art 11 lid 2 Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; art 12a lid 1 onder c Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang)

Pedagogische praktijk

De houder draagt er zorg voor dat alle bij zijn gastouderbureau aangesloten gastouders het pedagogisch beleid uitvoeren.
(art 1.56 lid 1 en 1.56b lid 1 Wet kinderopvang)

 

 

IKK: Mentorschap

Voor het eerst in deze reeks kijken wij naar een maatregel die voortvloeit uit Pijler 1. Deze pijler stelt dat er concrete pedagogische doelen in de wetgeving dienen te worden opgenomen en dat het essentieel voor de kwaliteit is dat er een vertrouwde en veilige omgeving voor de kinderen wordt gecreëerd. Zo op het eerste oog een dooddoener, want staan wij daar allemaal niet voor?

Het volgen van persoonlijke ontwikkeling van een kind is een activiteit die wordt beïnvloed door feiten (waarnemingen) en interpretatie (meningen) van een pedagogisch medeweker. En daar wrong de schoen: iedereen kan op een eigen wijze de gedragingen van een kind interpreteren en daar zijn of haar gevolgtrekkingen op baseren.

Door het instellen van een ‘eigen’ mentor voor ieder kind, zowel in het kinderdagverblijf als de buitenschoolse opvang, wordt verwarring en vertroebeling voorkomen. Diverse waarnemingen worden dan steeds door dezelfde persoon geïnterpreteerd.

Wat is mentoring nu eigenlijk precies? Vrij vertaald staat mentoring voor een één op één proces waarbij de mentor het kind (de mentee) begeleidt en ze zich samen op de persoonlijke ontwikkeling richten. De mentor zet hiervoor zijn of haar kennis, bekwaamheid en (levens)ervaring in. [vrij naar Cohen en Galbraith, 1995].

Een mentor signaleert (potentiële) ontwikkelingsproblemen: op deze manier kan er door beroepskrachten en/of andere professionals van binnen of buiten de kinderopvangorganisatie vroegtijdig en adequaat passende (extra) ondersteuning worden geboden.

Pijler 1. De ontwikkeling van het kind staat centraal

Essentieel voor de kwaliteit van de kinderopvang is de wijze waarop met kinderen wordt omgegaan. Een vertrouwde en veilige omgeving voor kinderen is daarbij van primair belang. Met het oog hierop worden concretere pedagogische doelen in de wetgeving opgenomen. Deze concretere pedagogische doelen bieden de sector houvast en zijn de basis voor het toezicht. De pedagogische doelen van Riksen-Walraven zijn algemeen erkend in de sector en liggen ten grondslag aan de pedagogische kaders die zijn opgesteld voor kindercentra2.

In de memorie van toelichting van de Wet kinderopvang in 2005 zijn de doelen reeds opgenomen. Waar de behoefte aan ruimte voor een eigen invulling nog steeds actueel is, is er sinds 2005 tevens een groeiende roep ontstaan om concretere pedagogische doelen die meer houvast bieden voor de praktijk van de opvang en het toezicht op deze praktijk. De doelen worden opgenomen in de Wet kinderopvang. Bij Algemene Maatregel van Bestuur wordt de betekenis van de pedagogische doelstelling in de Wko voor het dagelijkse werk van houders en pedagogisch medewerkers inzichtelijk gemaakt, zodat houvast wordt geboden. De concretisering sluit aan bij reeds geformuleerde kwaliteitskaders die breed gedragen zijn in de sector.

Hiervoor is het zeer belangrijk dat er doelen worden bedacht en uitgewerkt. Dit kan natuurlijk heel goed in teamverband gebeuren. De doelen dienen duidelijk te zijn, SMART geformuleerd.

Iets wat wij missen in de uitwerking van het IKK akkoord is de handvatten die de pedagogisch medewerkers meekrijgen. Wordt voor een babyspecialist een specifieke opleiding vereist, er is geen specifieke mentoropleiding verplicht. Is het de bedoeling dat de pedagogisch coaches hier een sleutelrol gaan spelen? Ook deze dienen hierop getraind te worden.

Goed mentorschap stelt hoge eisen aan empatisch vermogen, het kunnen inschatten van sociale situaties en het inspelen op ondersteuningsvragen van kinderen.

Inventariseer als ondernemer dus de capaciteiten van uw pedagogisch medewerkers en neem de tijd hen te trainen en te ondersteunen. De basis van mentoring zit er bij veel pedagogisch medewerkers van nature in en zal al dan niet bewust in de praktijk worden gebracht. Om een solide invulling aan deze IKK eis te geven zal een verdieping echter nodig zijn.

Stel in ieder geval de ouders op de hoogte wie de mentor is van hun kind en leg dit vast, zodat het bij een inspectie controleerbaar is. Oudere kinderen kunt u ook vertellen wie hun mentor is.

Heeft u vragen, of heeft u ondersteuning nodig bij de (verdere) implementatie van IKK maatregelen? Aarzel niet om contact met ons op te nemen.

IKK: De Beroepskracht-Kindratio

Vandaag behandelen wij een heet en actueel hangijzer: de Beroepskracht – Kindratio. Hierom is veel te doen, met name in de aanscherping van deze ratio waar het baby’s betreft.

Deze maatregel komt uit pijler 3 en dan maatregel 9. Waar wij een aantal weken geleden met name uit deze pijler het specialiseren van pedagogisch medewerkers voor de opvang van baby’s bespraken, gaat deze maatregel een stap verder. De specialist dient ook meer te worden ontzien zodat hij of zij meer aandacht kan geven.

Ik denk dat feitelijk niemand een pedagogisch inhoudelijk bezwaar hiertegen kan hebben. ‘Alles wat aandacht krijgt groeit’, leert Aristoteles ons. Specialistische zorg, rust en vertrouwen (bijvoorbeeld door de twee gezichten maatregel) zijn het beste voor onze allerkleinste klantjes.

De harde werkelijkheid is echter dat naast de zorg voor de kinderen (van groot tot klein) die voorop staat en vaak de reden is dat de houder zijn/haar kinderopvang is begonnen, er ook een economische werkelijkheid bestaat. U bent als houder ook verantwoordelijk voor een verantwoord bedrijfsbeleid en voor de salarissen van uw medewerkers. En wij kunnen er niet onderuit, de BKR-maatregel is sterk kostprijsverhogend.

Hierover is het afgelopen jaar veel te doen geweest. Een rapport van SEO in opdracht van de overheid, een rapport van Buitenhek vanuit de brancheorganisatie, een verschillenanalyse door het CBS, nu weer een reactie erop door Buitenhek. 

Pijler 3: Stabiliteit in de praktijk en meer ruimte voor pedagogisch maatwerk

Een vertrouwde en veilige omgeving is een noodzakelijke voorwaarde voor de ontwikkeling van het kind. De stabiliteit in een kinderopvangorganisatie moet worden gerealiseerd vanuit het perspectief van het kind. Vaste groepen, vaste gezichten, vaste ruimten en een vast dagritme zijn hierbij belangrijke randvoorwaarden.

Aandachtspunten hierbij zijn dat de opvang van baby’s om specifieke competenties en kennis van de pedagogisch medewerkers vraagt. Scholing op dit onderwerp is dus van belang. Daarnaast beïnvloeden verschillende factoren de tijd en aandacht die de pedagogische medewerker, daadwerkelijk kan besteden aan een baby, bijvoorbeeld de BKR, en praktische aspecten zoals neventaken die moeten worden uitgevoerd.

Een vaste pedagogische medewerker, die vertrouwd is voor de baby, is een zeer belangrijke voorwaarde voor het bieden van sociaal emotionele veiligheid. Immers; een vertrouwde volwassene begrijpt de stressfactor, weet beter waar de baby behoefte aan heeft en kan hier vervolgens naar handelen.4 In dit akkoord wordt daarom het vaste gezichtencriterium en de beroepskracht-kindratio voor baby’s aangescherpt, en wordt een werkwijze voor toezichthouder ontwikkeld zodat de toezichthouder signalen van ouders ten aanzien van de stabiliteit van de opvang meeneemt bij zijn oordeel over de situatie ter plekke.

De branche wordt overspoeld door ramingen. Aannames, statistische theorie en gemiddelden.

Ik wil hier niet dieper op ingaan. Tenzij u er behoefte aan heeft, maar ik denk dat het niet verstandig is om als zoveelste partij een opinie over de kostprijsverhoging los te laten. Ik denk alleen dat het jammer is dat de overheid niet kijkt naar oplossingen als gedifferentieerde tarieven.

 

Feit is dat de exacte kostenstijging blijkt uit uw eigen resultaatrekening aan het einde van 2019, of indien u budgetteert, uit uw budget over 2019. Dat is geen gemiddelde, maar de werkelijkheid in uw onderneming.

 

Dat geeft u als houder ook de uitdaging om zorg te dragen voor een sluitende begroting. Hoe vult u de ontstane personele aanvullingen in? Hoe gaat u plannen? Hoe ontwikkelt uw kostprijs? Wat zijn de gevolgen voor uw tarief in 2019? Vele vragen dringen zich in aanloop naar het komend jaar op.

Binnen onze organisatie houdt KiK Advies zich bezig met bedrijfseconomische vraagstukken in de kinderopvangbranche. Zij lichten organisaties door, kunnen besparingen of aanpassingen suggereren en begrotingen en budgetten opstellen.

 

Maatregel 9

Partijen komen overeen dat de beroepskrachtkind-ratio voor baby’s wordt aangescherpt naar 1 op 3 en wordt verwerkt in de huidige BKR-systematiek voor horizontale en verticale groepen.

Maatregel 10

Overwegende dat er op dit moment een eenvormige vergoeding is voor kinderopvang, maar de daadwerkelijke kosten voor opvang verschillen per leeftijdscategorie en dit verschil wordt versterkt door de voorgenomen verandering in beroepskracht-kind-ratio voor de baby’s. Overwegende dat dit op termijn mogelijk kan leiden tot een te sterke druk op ondernemers en daarmee tot druk op de opvang van bepaalde leeftijdsgroepen. Constaterend dat partijen het onwenselijk achten dat er nu geen eensluidend beeld is van de kostprijs voor kinderopvang, spreken het ministerie en de partijen af een onderzoek te doen naar de kostprijs van kinderopvang. In dit onderzoek wordt (in ieder geval) een differentiatie gemaakt naar leeftijd, naar regio’s en naar kwaliteitsverhogende factoren. Betrokken partijen hechten belang aan het onderzoek:

  • met het oog op de transparantie met betrekking tot de prijsopbouw;
  • met het oog op een eerlijke vergoeding van de kosten die ondernemers maken voor opvang; 

Heeft u een vraag of advies nodig? Aarzel niet en neem contact op op de manier die bij u past. U kunt bijvoorbeeld gebruik maken van het Facebook spreekuur op maandagavond van 20 – 22 uur.

De Oudercommissie

Inleiding

De Wet Kinderopvang verplicht u als houder van een kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang of gastouderbureau om op iedere locatie een oudercommissie te hebben.

Voor kleinere organisaties (max. 50 kinderen of 50 gastouders) kan alternatieve ouderraadpleging worden toegepast indien het niet lukt om een oudercommissie samen te stellen. Hiertoe heeft u echter wel een blijvende inspanningsverplichting!

De werkwijze van de oudercommissie ligt vast in een oudercommissie reglement. Het aantal leden van de commissie, de wijze van kiezen, hun zittingsduur staan hierin vermeld. De oudercommissie bepaalt haar eigen werkwijze en werkplan. U kunt een voorbeeld van een oudercommissie reglement vinden op de website van BOinK (www.boink.info)

De oudercommissie is de vertegenwoordiger van alle ouders.

Het werven van Oudercommissie leden

Dit is voor veel organisaties een moeilijk punt. Het blijkt soms lastig om ouders dermate te betrekken dat zij actief willen worden. Als kinderopvangorganisatie is het dan ook zaak om de informatie over de oudercommissie duidelijk zichtbaar op de locatie te hangen, maar ook te verstrekken aan nieuwe ouders, te bespreken bij de intake, oudergesprekken en informatieavonden.  

Alternatieve Ouderraadpleging

Als het u niet lukt om een oudercommissie samen te stellen, dan kan er, mits voldaan wordt aan de in de inleiding genoemde criteria, gekozen worden voor Alternatieve Ouderraadpleging. Let wel, het ontslaat u niet van de inspanningsverplichting om een oudercommissie samen te stellen.

Indien u gebruik maakt van deze mogelijkheid, dient u te weten hoe uw ouders betrokken willen zijn, en hoe zij benaderd wensen te worden. Het simpelweg sturen van een e-mail of elektronische enquête is hier niet voldoende. U dient, zeker bij onvoldoende response, meerdere manieren van benaderen te kiezen. Om bij een inspectie te kunnen aantonen dat u uw best heeft gedaan de ouders te raadplegen is het zeer sterk aan te bevelen om al uw acties te administreren en inzichtelijk te kunnen maken.

Omgaan met uw oudercommissie

De oudercommissie heeft het recht om gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen. Hier dient u dus gelegenheid voor te bieden.

In het licht van de IKK zijn er (ingrijpende) wijzigingen die worden doorgevoerd in uw organisatie. Hierover dient u de oudercommissie te informeren en om advies te vragen. Dit dient tijdig te gebeuren, omdat er een reële termijn voor het geven van advies dient te worden gegeven.

Het verloop van de procedure kunt u als volgt organiseren:

  1. Het voorgenomen besluit wordt voorgelegd aan de oudercommissie;
  2. Zij krijgen tijdig alle benodigde informatie. Aanvullende informatie waarom verzocht wordt aangeleverd;
  3. Er wordt een heldere termijn voor het geven van advies. Een termijn van 4 weken is hierbij reëel.
  4. U ontvangt binnen de gestelde termijn een advies van de oudercommissie;
  5. U geeft hierop een reactie richting de oudercommissie;
  6. De ouders worden geïnformeerd over het besluit.

Let erop dat ook voor wettelijke maatregelen een advies van de oudercommissie verplicht is.

U kunt op drie manieren reageren op het advies:

  1. U neemt het advies over;
  2. U wijkt af van het advies. Dit kan alleen als u schriftelijk en gemotiveerd aangeeft dat het belang van de
        kinderopvang zich tegen het advies verzet;
  3. U wijkt af zonder motivatie (dit is wettelijk niet toegestaan!)

Het verdient de voorkeur om de adviesvragen en termijnen van de oudercommissie in uw interne planning en processen te integreren. Op deze wijze worden zij niet vergeten en kunt u aantonen het ouderrecht hoog in het vaandel te hebben staan.

Meer weten of vragen? Aarzel niet om contact met ons op te nemen.

Het Persoonsregister

Na de nodige horten en stoten is het Persoonsregister in de Kinderopvang inmiddels wel op stoom. Inmiddels lazen wij diverse malen verhalen op Facebook over effecten die registratie heeft, vandaar dat wij de afgelopen dagen wat nader onderzoek naar het Persoonsregister hebben gedaan.

Het register is in de Wet Kinderopvang geïmplementeerd door het aanpassen van deze wet en het Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang.

Met name voor gastouders houdt dit een verzwaring van de regeldruk en een verantwoordelijkheid in. Een ieder die structureel aanwezig is (1/2 uur per 3 maanden), dient voordat er een correcte toegang tot de opvanglocatie kan worden verkregen, in het persoonsregister te zijn opgenomen en gekoppeld. Een volwassen zoon of dochter met sterk wisselende relaties brengen dan al snel een enorm administratief circus op gang.

In het persoonsregister worden de volgende personen opgenomen:

  • bestuurders en houders van kinderopvangorganisaties
  • gastouders en hun volwassen huisgenoten
  • vaste en tijdelijke medewerkers, uitzendkrachten, stagiairs, vrijwilligers en zelfstandigen
  • administratief personeel met toegang tot gegevens van kinderen
  • iedereen die woont op een opvanglocatie of er structureel aanwezig is tijdens opvanguren.
[Bron: DUO / wettelijke basis WKO 1.50 lid 3]

Een punt dat met de invoering van het persoonsregister opnieuw voor het voetlicht komt is de verantwoordelijkheid voor de inschrijving en/of koppeling. Bij een kinderdagverblijf/bso is dit een duidelijk gegeven en is de problematiek van de vorige alinea minder aan de orde.

Bij gastouders is in het eerder genoemde besluit de houder van het gastouderbureau aangewezen als bewerker van de informatie (de link naar de AVG). Het gastouderbureau dient van nieuwe personen de VOG te ontvangen en de koppeling te kunnen maken. Niet meer van toepassing zijnde personen dienen door het gastouderbureau te worden beëindigd.

Inmiddels hebben wij ook al diverse meldingen gezien van gastouderbureaus die door gemeentes worden aangesproken op het aanwezig zijn van een persoon bij een gastouder die niet in het persoonsregister is ingeschreven. Hiervoor worden door gemeentes uiteenlopende boetes bepaald, die alle meerdere duizenden euro’s zijn.

De vraag rijst of er een wettelijke grondslag is voor het opleggen van een boete aan een gastouderbureau. In de wet en het besluit is hierover niets opgenomen. Een wijziging kan immers slechts worden doorgegeven als deze bekend is bij het gastouderbureau. De WKo stelt bijvoorbeeld inzake mutaties in het LRK, dat wijzigingen door het gastouderbureau onverwijld dienen te worden doorgegeven, “..nadat deze wijziging hem bekend is geworden.”

 

Waar de gemeente deze boete resoluut kan opleggen aan een gastouder, vinden wij dat minder voor de hand liggen bij een gastouderbureau. Het valt of staat dan wel met direct een goed inhoudelijk verweer richting GGD/gemeente.

 

Een ander aspect dat zich op dat moment opdringt is de aansprakelijkheid van gastouder richting -bureau. Is het bureau (tijdig) geïnformeerd? Het zijn situaties die je liever wilt voorkomen. Het is dan ook van het grootste belang om (aankomende) wijzigingen tijdig door te geven aan de bureaus waarmee u als gastouder werkt. Voor een gastouderbureau is het zaak om regelmatig contact te hebben met haar gastouders en hierbij ook expliciet te informeren naar wijzigingen, plannen, en dergelijke.

Voorkomen is beter dan genezen betalen.

 

Wilt u meer weten, of heeft u assistentie nodig? Ga naar contact en kies uw methode om contact met ons op te nemen. Tevens hebben wij iedere maandagavond digitaal spreekuur tussen 20 en 22 uur via onze Facebook themagroepen.

Hoe AVG proof is de GGD?

Met de inwerkingtreding van de AVG valt ook de GGD, net als ieder overheidsorgaan in de Europese Unie onder deze wetgeving. Hieronder hebben wij enkele vragen en situaties inzichtelijk proberen te maken.

Let op: Er is een bijzonder duidelijk verschil tussen uw gegevens als privépersoon en de gegevens van uw kinderopvangonderneming. De eerste valt onder de AVG, de tweede niet.

Mag een inspecteur kinderopvang uw gegevens zomaar uitwisselen?

Als deze vraag uw persoonsgegevens betreft is het antwoord: Nee. Sterker nog, voor het registreren van deze gegevens dient een (wettelijke) grondslag te zijn, die zij vast dienen te leggen in hun verwerkingsregister.

Wat betreft uw ondernemingsgegevens: Zelfs na heel goed onderzoek konden wij het antwoord niet concreet vinden.
Wat wij wel vonden was dat alle medewerkers van de GGD niet zomaar gegevens mogen uitwisselen. We gaan er vanuit dat dit ook geldt voor inspecteurs kinderopvang.
Zij zijn tenslotte ook ‘gewoon’ medewerkers van de GGD.

Wat houdt dat precies in?

Om persoonsgegevens uit te wisselen is uw toestemming nodig. In een aantal situaties is uw toestemming niet nodig:

  • Bij een wettelijke plicht om gegevens te verstrekken.
  • Wanneer er gevreesd wordt voor een ernstig gevaar voor uw gezondheid of die van iemand anders (in dit geval dus de kinderen).
  • Wanneer u de GGD al eerder toestemming hebt gegeven om gegevens uit te wisselen met bepaalde medewerkers die werken bij andere organisaties.
  • Wanneer de GGD u geïnformeerd heeft over geplande onderzoeken en het delen van de uitslag maar u niet binnen een redelijke termijn reageert.
  • Wanneer uw gegevens geanonimiseerd gebruikt worden voor (wetenschappelijk) onderzoek van de GGD.

Mag de GGD de ondernemer zelf natrekken?

Nee dat mag niet. Bij ons zijn wel veel verhalen bekend van GGD-inspecteurs die de ondernemer natrekken in het GBA. Er zijn zelfs inspecteurs die hier ondernemers op aan spreken of vragen stellen over een burgerlijke status. Dit mag absoluut niet.

Om de kwaliteit van een kinderopvangorganisatie in kaart te brengen googled de GGD vaak op de organisatie zelf. In het kader van een onderzoek mag dit. Echter, de GGD mag niet de ondernemer zelf als persoon googelen.

Een persoonlijk Facebookprofiel van de ondernemer zelf bekijken mag dus niet. Maar let wel: als de ondernemer er ondernemerszaken op zet weer wel. De scheidslijn is dus maar dun.

Persoonlijke informatie die u uit uzelf deelt mag de inspecteur aannemen. Wees dus zorgvuldig met het geven van persoonlijke informatie.
GGD-inspecteurs zijn ook maar mensen die vaak ook werken vanuit persoonlijke interesse en mogelijk een persoonlijke vragen stellen. U hoeft geen antwoord daar op te geven als u dat niet wilt. Wees dus zelf ook alert. Voor gastouders ligt het gecompliceerder. De GGD komt bij u thuis; hij of zij dringt uw privé in.
Echter, zodra u aan het werk bent is uw woning een professionele werkplek waar de GGD-inspecteur vragen over mag en kan stellen.
Houd hier rekening mee door privégegevens en spullen/materialen waarvan u niet wilt dat een derde deze ziet in een andere ruimte te bewaren.
Maak een duidelijk plan of plattegrond waarin u aangeeft waar u wel en geen opvang verleend. Zo behoudt u toch een stuk privé.
Hetzelfde geldt voor opvangmomenten. Wij raden gastouders met klem aan duidelijk te verwoorden in een tekst die u deelt met uw gastouderbureau(s) en ouders wanneer u wel en geen opvang biedt (liefst zo specifiek, gedetailleerd en actueel mogelijk). Het meest transparant is het om dit ook op uw website te delen (hoewel dit ook inbrekers kan aantrekken). Hiermee beschermt u uw privacy op momenten dat u niet aan het werk bent.

Wat heeft de GGD er zelf aan gedaan om AVG-klaar te zijn of te worden?

De GGD heeft aardig wat actie ondernomen:

  • GGD GHOR Nederland heeft iedere GGD verplicht een DPO/FG in dienst te hebben;
  • Er zijn studiedagen georganiseerd;
  • Veel GGD’s en/of onderdelen van de GGD hebben AVG zaken vastgelegd in de Ambtenarencode;
  • GGD’s hebben onderzoeken laten doen en rapporten laten maken (bijvoorbeeld een verwerkingsregister)
  • Op bepaalde medewerkers is ook een beroeps- of gedragscode van toepassing.
    Concreet: iedere medewerker zorgt ervoor dat persoonsgegevens niet:
    • In onbevoegde handen komen.
    • Verloren raken.
    • Door onoplettendheid openbaar worden.

Iedere GGD dient dit zelf te regelen. Er kunnen dus verschillen tussen regio’s optreden. Het is fijn dat de GGD zo actief hier in is. Hoe is dit inzichtelijk?

Dat is lastiger.
GGD Gelderland Zuid heeft dit keurig netjes online gepubliceerd. Zie bijvoorbeeld:https://ggdgelderlandzuid.nl/wp-content/uploads/2018/05/Informatiebeveiligingsbeleid_GGD_v1.0-DEFINITIEF.pdf

Maar van veel GGD’s ontbreekt de vindbaarheid.

Bent u benieuwd hoe uw GGD de AVG borgt? Neem dan contact op met uw inspecteur. Zij zijn verplicht u deze informatie te verschaffen. Want: u heeft recht om te weten wat er met uw gegevens gebeurt en hoe de veiligheid geborgd is.

Heeft u meer vragen over de AVG en de GGD of een combinatie van die twee? Mail uw vraag naar info@riklaw.nl en wellicht wordt uw vraag behandeld in een volgende column.

Organisatie en structuur van toezicht op kinderopvang in Nederland

Inleiding

Wij kennen standaard de (on)verwachte controle die de kinderopvangondernemer met enige regelmaat wacht. Waar controles bij gastouderbureaus normaliter jaarlijks en aangekondigd zijn, worden gastouders eens in de x aantal jaar onaangekondigd gecontroleerd, afhankelijk van gemeentebeleid en risicoprofiel. Kinderdagverblijven worden jaarlijks onaangekondigd gecontroleerd.

Naast deze reguliere controles vinden er, vaak naar aanleiding van signalen, onaangekondigde inspecties plaats, nadere inspecties aan de hand van een handhavingstraject, etc.

Hoe werkt het toezicht op de kinderopvang in Nederland nu precies? Hoe is het georganiseerd? In dit artikel gaan wij hier iets dieper op in.

Toezicht volgens de Wet Kinderopvang

Vanuit de wet kinderopvang heeft de minister het toezicht gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders in een gemeente. Deze wijst, ook weer geregeld in de wko (art. 1.61 lid 2) de directeur publieke gezondheid van de GGD aan om dit toezicht te regelen.

Deze GGD’s zijn regionaal georganiseerd en zijn een publiekrechtelijke openbare rechtspersoon. Een regionale GGD kan meerdere gemeentes als klant hebben.

De gemeentes worden vervolgens op hun toezicht gecontroleerd door de inspecteur-generaal van het onderwijs. Ook hiervan worden weer rapporten gemaakt. Tevens stelt de onderwijsinspectie een jaarlijks rapport op en houdt het lijsten bij met A, B of C gemeentes. A zijn gemeentes die aan alle richtlijnen voldoen, B vertoont haperingen en bij C is het slecht geregeld. Op dit moment zijn er geen C gemeentes, 2 B gemeentes, de overige gemeentes staan op de A lijst.

Velen denken dat boven de GGD de GGD GHOR Nederland staat. Dit is niet het geval. GGD GHOR is een separate stichting, met als doel het behartigen van de belangen van haar leden, de regionale GGD’s ondermeer. Daarnaast draagt men bij aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken. En voert projecten uit.

Hoe ziet een inspectietraject eruit?

Stel u krijgt bezoek van een inspecteur, al dan niet begeleid door een collega. Zij komen bij u voor de reguliere jaarlijkse controle in uw gastouderbureau of kinderdagverblijf. Hoe ziet het proces er nu compleet uit?

Tijdens de voorbereiding van hun bezoek en het bezoek zelf controleren zij een aantal documenten, denk hierbij aan VOG’s en diploma’s. Feitelijk werken zij een standaard opgesteld controleprotocol af, die u weer terugziet in het conceptrapport dat u ontvangt. Deze rapporten en controlepunten worden aangeleverd door het ministerie en zijn ook door u te downloaden.

Naast de documentatie wordt in het geval van een gastouder of kinderdagverblijf ook een rondgang gemaakt door de locatie en wordt een observatie gedaan. Ook wordt uw kennis van het geldende pedagogsich beleidsplan met alle daarbij behorende documenten, alsmede de meldcode getoetst.

Al deze gegevens worden verzameld en geanalyseerd en verwerkt in een conceptrapport. Dit conceptrapport dient u binnen 6 weken na de inspectie te ontvangen. U krijgt vervolgens twee weken de tijd om een zienswijze in te dienen.

Na deze twee weken wordt het rapport definitief. De GGD heeft vervolgens drie weken de tijd om het rapport te verwerken in het LRK. Tevens wordt het rapport naar de gemeente gezonden, ter kennisname of voor verdere actie.

Hoe nu verder?

Wij gaan even van een negatief scenario uit. De GGD heeft in haar inspectie onvolkomenheden geconstateerd en adviseert de gemeente te handhaven. De gemeente zal u een brief sturen met daarin een aankondiging van maatregelen die zij willen gaan nemen. In de brief zal ook een hersteltermijn staan. U heeft deze tijd om de geconstateerde gebreken te herstellen. U kunt ook bezwaar aantekenen. Hiervoor heeft u zes weken de tijd.

Let op! Gemeentes willen wel eens, om soms onduidelijke redenen afwijken van deze gang van zaken. Een reden kan zijn dat er een dwingende reden is om u te sluiten, de kinderen zijn in gevaar of er is een ander bijzonder ernstige situatie. De gemeente pakt dan door. Hun beslissing kan dan later getoetst worden in bijvoorbeeld een procedure bij de bestuursrechter.

Als de gemeente een hersteltermijn heeft bepaald, dan voert de GGD aan het eind daarvan een nadere inspectie uit op de handhavingspunten. Dit rapport wordt direct definitief, u kunt geen zienswijze meer indienen. Aan de hand van dit rapport besluit de gemeente hoe zij verder gaan in het handhavingstraject. Als de fouten zijn hersteld kan de gemeente het handhavingstraject sluiten. Zij kan echter dan nog wel een ‘last onder dwangsom’ opleggen, zodat u bij hernieuwde overtreding direct een boete verbeurt.

Als de fouten niet zijn hersteld kan de gemeente een variëteit aan maatregelen nemen, waaronder het opleggen van een exploitatieverbod. Uw opvangvoorziening of gastouderbureau moet dan sluiten. Als de fouten zijn hersteld, dient u een nieuw verzoek tot exploitatie in te dienen bij de gemeente.

Kwaliteit

In veel gevallen zullen beslissingen van de GGD gebaseerd zijn op goede waarnemingen. Een controlesysteem draagt dan ook bij aan het verhogen van de kwaliteit. Bij onjuiste waarnemingen of fouten in rapporten ontstaat een onterecht handhavingstraject. Het indienen van een goede zienswijze en het herstellen van feitelijke onjuistheden in het rapport is dan essentieel voor uw positie in dit traject.

Wilt u meer weten, of heeft u een probleem? Neem vrijblijvend contact met ons op.